Aai afhouder Deel 3

 

Aai zakt het foxel in waar Job, en Arie bezig zijn de Platte kachel met wat stek aan te maken. Want ze willen een Makreeltje gaan siete. Ze hebben de buiken open gesneden, en er al de ingewanden al uit gehaald. En toen het binnenste met zout hebben ingesmeerd zo dat het goed in de vis kon trekken. Waarna ze de makrelen op de het bootzeiltje te drogen hebben gelegd. Toen ze droog waren hebben ze de makrelen in een ouwe krant gerold. Als de kachel goed heet is leggen ze de makrelen boven in aan de zijkant van de kachel.

‘As de oge wit benne is de makreil gaar Zeun zegt Job tegen Aai.’

‘Maar 'aal jij eist effe un dot ketoen met olie in de moterkamer Wul je?’

‘Jea dan gaat de kachel gauwer brande ofouwer zegt Job.’

  Als Aai op weg naar de motorkamer gaat denkt hij, ‘zô non 'eb ik un goeie smoes om es un kikje in de moterkamer te neme.’

Hij zakt de motorkamer in en hoort een geluid waar van horen en zien je vergaat. Overal ziet hij riemen over Pooly,s draaien, en boven op de motor bewegen de klepstoters met een tikkend geluid op en neer. Hij loopt langs de Motor ,en kijkt bewonderend naar de kleine hulpmotor die stil naast zijn grote broer staat. Aan de andere kant van het grote draaiende vliegwel ziet Aai Rinus die bezig is de dagtank vol te pompen.

‘Ken ik een oliedot vor de Kachel van je krijge Rinus? schreeuwt Aai over het geluid van de Motor heen anders wul hij 'iet brande.’

‘Effe dat ofmake zeun,” schreeuwt Rinus terug en hij gaat rustig door met het slingeren aan de hendel van de pomp. Aai staat met glinsterende ogen naar het draaien van de motor te kijken. ‘Dat is wat ik later ôk wul gaan doen denkt hij en daarna de Kuster op.’

Hij is zo in gedachten met alles wat hij ziet bezig dat hij niet gezien heeft dat Rinus klaar met pompen is.Hij klopt Aai op zijn schouder en zegt, 'ier is je olie dot zeun,’ en hij drukt Aai een oud conservenblik met een in de Olie gedrenkt dot poetskatoen in zijn hand. Als Aai in het foxel terug komt gooit Job de dot in de Kachel, en laat er een brandend stuk krant op vallen. Even later begint de kachel te branden een brommend geluid makend door de goede trek in de pijp. Dan schept Job wat kolen op het brandende stek net zolang tot de Kachel roodgloeiend staat. En daarna legt hij de vier makrelen boven in de platte buis van de kachel naast de gloeiende kolen. Daarna komt er een smerige lucht van smeulende kranten, en verbrande vis vrij. En vult het foxel terwijl de temperatuur in de kleine benauwde ruimte hard begint op te lopen.

‘Tjesus Job wat be je an 'et doen man? vraagt Gerrit ? 'et stinkt gedomme as de 'él 'ier in die 'itte. Ken un mens toch 'iet slape?‘'Et is toch Pikkeet Gerrit zegt Job en intusse kenne de makrele gaar worre die lus je toch ok wel 'iettan?’

Aai ontvlucht het foxel en gaat op weg naar de Kombuis, waar de Rijpschieter bezig is het braadje Haring voor het avond eten te bakken. Ingespannen staat de Rijpschieter in de grote platte bakpan die helemaal zwart is van al de lagen ingebakken olie van de vele teelten dat de pan al dienst doet, te turen. De Rijpschieter de niet in de gaten heeft dat Aai achter hem zijn verrichtingen staat gade te slaan spuugt op een zeker moment in de Olie. En als die begint te sissen en spetteren legt hij de Haring in de Pan. Wat be' je non an 'et doen man? Vraagt Aai. aan hem. Dat doe je toch zô 'iet vuile veizerik dat je der ben.” Je gooit de 'âring die je al 'ebakke 'eb weg en de are 'aringkies bak je zonder in de Pan te spauge. Aars gâ ik naar de Ouwe toe vuillak dat je der ben. De rijpschieter schrikt van de dreigend kijkende Afhouder en zegt.

‘Ik zel 'et 'iet meer doen Aai maar zeg 'et 'iet teuge de Ouwe é, want dan krijg ik er van langs hij eit toch al de pik op me.’

Hij pakt de Bakpan van het Fornuis en gooit hem overboord leeg. Op dat moment komt de Ouwe de hoek van de Brug om, en ziet de Rijpschieter de Pan legen.

‘Wat ben an 'et doen zeun?” vraagt hij aan de Rijpschieter die helemaal rood word en begint te hakkelen.

‘Ze wasse verbrand Maart de 'âringe bedoel ik,’ mengt Aai zich in het gesprek.

‘O zegt de Ouwe dat mot je 'iet te veul doen 'oor zeun anders 'ouw je geen visje meir over.’

Het is Vrijdag en Black geil de Johanna ligt in een trage op olie lijkende zee zacht op en neer te deinen. Aai zit met de rest van de neteploeg op de last van het zonnetje te genieten want ze hebben de wacht. Aai krabt steeds weer over zijn armen die nog steeds branden van de lijmers die vannacht in de vleet zaten. Hij heeft al van alles geprobeerd goed afwassen met zeewater maar daar werd het nog erger van. Want in het zeewater zitten deeltjes van de Lijmer en met zoet water hielp het ook al niet want als je handen en armen nat werden begon het ook weer op een gek makende manier te branden.De rijpschieter had het nog erger want omdat hij de rijp van boven af de rijpkee in haald. Loopt het branderige water over zijn arm naar beneden, zo in zijn oksel de zijkant van zijn borst op. Joop zit dan ook als een gek op die branderige plaatsen te krabben. Als laatste had Aai geprobeerd over zijn handen te pissen met als resultaat dat zijn Jaap nu ook in brand staat. Om dat hij die met zijn branderigge hand  uit zijn broek had gehaald.. Iedereen aan boord had last van die lijmer ellende, en dat zel nog wel een tijdje duren ook zei Huib tegen de jongens. Aan de horizon is een onregelmatige wazige blauwige hoogte te zien.

‘Dat is de Engelse kust zegt Huib tegen Aai we legge zô,n vijftwintig mijl van Whitby of zeid de Ouwe. En as we murrege 'iet al te veul vange gane we naar Engeland 'eb tie teuge me 'ezeid.’

‘Dan 'oop ik dat we vannacht 'iet veul vange Huib fijn naar Engeland daar ben ik nog nooit 'eweest’ zegt Aai.

‘Lâte we ét hope Aai zegt Huib, en as we veul vange magge 'et van mijn kraaié worre. Want ik 'eb ter ôk wel zin in 'et is een mooi pleisje, en erg gezellig. En ter is ôk nog un kurremus.’ Even later komt De Rijpschieter de last op, en zegt ‘ Klaar is Bruine bonensoep vor murrige 'an 'et koke manne, en wat denke jeulie wat ik zag.’ Jeulie wete dat Klaar zo,n grote neus 'eb nou hij zag me 'iet staan maar ik keek van bove deur de koelkast. En daar sting tie lekker in de soep te roere met 'ân ze,n neus un grote druppel die as maar grôter werd. En toen viel tie druppel zo maar in de soep. Ik mot murrege geen soep getverdemme mense zegt de Rijpschieter. ‘’ Je ben eigeluk  precies ieder Joop, zegt Aai, jij sting ook in de bakpan te spauge, maar jij dee 'et welbewust, met de Kok was 'et un ongeluk 'iettan.?’ Maar jea je éb wel gelik ik mot murrege ôk geen soep ik eet wel een ommekantje’ zegt Aai.

‘En ik ôk 'iet, zegt Huib maar we zegge niks teuge de Matroze 'oor Jonges.’ Als ze de andere morgen het laatste net scheep hebben begint de Ouwe gelijk naar Whitby op te stomen. Ze hebben zes kantjes gevangen deze nacht, en als die gekaakt zijn worden de tonnen goed opgepakt en dicht geslagen. Maar die moeten ze eerst nog even aan de Ster de thuisstomer van die dag overgeven.

 

Om elf uur liggen ze voor Whitby te wachten tot de zwarte Bal naar beneden zal gaan die aan de toren bij de ingang van de Haven hangt, ten teken dat er voldoende water staat om binnen te varen. Als de bal zakt stomen ze richting Whitby op, en staat Aai vol bewondering naar alles wat hij ziet te kijken. Als de Johanna de Havenhoofden van Whitby binnenvaart. Ze maken vast aan de SCH 69 de Zeevaart, en Aai hoort de harde muziek uit de Kermishal over de kade hoort schallen, Met aan de gevel in alle kleuren fel flitsende lichten die lonken om de hal binnen te komen.‘Zô Aai zegt Huib eist un pannevisje doen, en dan de wal op zeun,’ druk pratend zakken ze het foxel in waar de Bruine bonen soep al op de kachel staat warm te blijven. Als iedereen zit pakt de Kok de grote opscheplepel, en schept Job zijn schaaltje vol.

‘Lekker Kok zegt Job Bruinebone soep daar ben ik gek op,’ als de Kok bij Huib komt zegt die ‘nee dank je Kok ik lust geen bruinebone Soep,’ en Aai zegt als de kok hem aankijkt ‘’ ik ôk iet Kok ik neem wel un ommekantje met Kaas,” ‘ja dat sel ik ok maar doen kok’ zegt de Rijpschieter.

'et is eile lekkere soep 'oor kindere, zegt Klaar der zitte lekkekere vârrekűs pôtjies in met mals vleis,en hij smakt met zijn lippen bij de gedachte hoe lekker zijn soep wel niet is,maar jea as je iet wul dan mot je dat zelf maar wete niettan?’

Als ze klaar zijn met eten gaan Huib en Aai samen de wal op. Er is van alles te doen op de Kermis die aan de kade van de haven is. Aai en Huib lopen een grote hal in waar keihard Tell my a Story uit de luidsprekers door de hal loeit.  Even later gevolgt door Seven lonely days. Aai gooit een Shilling in een Flipperkast, en kijkt vol spanning toe hoe de nummering door de stalen bal opgedreven word. Als hij op kijkt, kijkt hij recht in het gezicht van een leuk uitziend meisje dat lief naar hem lacht.  ‘Hello hunk zegt ze en wijst op zich zelf, y am Pauline, what is your name?’

‘Ik heet Aai zegt hij tegen haar, en dan begint ze een heel verhaal waar Aai niks van snapt tegen hem af te steken. Ze komt naast hem staan pakt zijn elleboog vast, en met een lieve glimlach op haar gezicht trek ze Aai mee naar buiten toe. Ze is wel knap denkt Aai met haar mee lopend ze heeft bruine ogen, mooie volle lippen met mooi lang zwart golvend haar dat tot op haar kontje hangt.

‘Ik 'eb 'et idee dat ze verkikkerd op je is Aai roept Huib, voor mijn wul ze dat je met ter mee gaat.’ Pauline loopt Aai met zich meetrekkend de Speelhal uit. Als ze buiten zijn slaat ze haar arm om Aai zijn middel, en lopen ze richting naar het strand toe. De Zon schijnt warm op hun beider hoofden Pauline kijkt verliefd naar Aai op. Stevig drukt ze haar boven lichaam  tegen Aai aan. Aai voelt een van haar kleine stevige borsten vlak onder zijn oksel drukken. Hij voelt een zweverig gevoel over zich heen komen,en drukt zijn wang tegen de hare die lekker warm aanvoelt. Trijntje is hij op slag vergeten, verliefd naar elkaar kijkend lopen ze de Westpier op. Waar in het midden allemaal banken staan. Aan het einde daar van ligt een soort Park. met  druk met elkaar bezig, zijnde paartjes’voor mijn is ét ier ét plaatselijke vrijpark’denk Aai bij zich zelf. Pauline loopt Aai met haar meetrekkend, helemaal naar achter door het veldje op. Aai ondertussen zacht op zijn wang en mond zoenend. Aai voelt haar warme adem over zijn gezicht strijken. En hij ruikt haar naar Karamel ruikende lichaam.Een heerlijk gevoel van extase begint door hem heen te stromen. Hongerig naar liefde dorstend begint hij Pauline te zoenen. En al zoenend legt hij haar zacht op de grond, en gaat half over haar heen leggen.  Hongerig naar liefde hunkerend begint Pauline Aai te kussen, haar tong diep in zijn mond rond draaiend. Aai word helemaal buiten zinnen door haar kussen, en grijpt haar stevig vast en drukt haar stevig tegen zich aan. En dan geven ze zich over aan de zinderende driften, die door hun beider lichamen razen. Als hun driften uitgeraasd zijn ligt Aai nog licht na hijgend op Pauline. Die hem zachtjes zoent, en steeds weer ”o Aai y love you, y love you so much” in zijn oor fluistert. Aai gaat op zijn rug leggen, en staart langs haar hoofd naar de langs de hemel glijdende witte wolken. Die van allerlei vormen hebben en in één wolk die zijn gezichtveld binnen glijd. Ziet hij plotseling het verwijtende gezicht van Trijntje naar hem kijken. Een felle steek van spijt schiet door zijn borst verward komt hij omhoog. En hij drukt Pauline,s hoofd dat op zijn borst ligt van zich af.

Verbouwereerd kijkt ze hem aan pakt zijn arm vast, en vraagt ‘what is wrong Aai? please y love you zo much’ zegt ze terwijl hete tranen in haar ogen opwellen.

Want er is plotseling iets gebeurd met Aai wat ze niet begrijpt. Maar ze voelt wel dat het einde van hun net begonnen liefde alweer voorbij is. Als ze terug naar de kade lopen geeft ze Aai een arm maar het gevoel wat er op de heenweg tussen hen was, is er niet meer voelt ze. Bij de Hal terug gekomen blijft ze verlegen lachend afwachtend naar Aai staan kijken.

Aai die medelijden met haar heeft zegt, 'et was 'iet jou fout meid ik a dat 'iet met je motte doen, 'et is Trijntje begrijp je?

Maar daar Aai geen woord Engels spreekt op yes en no na dan. En Pauline op haar beurt geen Nederlands begrijpt ze niet wat Aai allemaal tegen haar zegt. Aan zijn gezicht te zien is dat niet erg gunstig voor haar, al ziet ze wel dat Aai niet boos op haar is. Daar ze om tien uur thuis moet zijn, en het haast al zo ver is kan ze op dit ogenblik niks meer ondernemen om haar kansen te doen keren. Wat ze erg jammer vind want ze vind die blonde Boy met zijn blauwe ogen, brede borstkas, en zijn gespierde armen die ze haar hele leven wel om zich heen zou willen voelen toch zo lief. Vlug pakt ze een pen met een papiertje uit haar tasje, en schrijft haar naam en adres er op. Drukt dan Aai het boekje met de pen in zijn hand, en gebaard hem zijn adres er in te schrijven. Aai pakt de pen en schrijft zijn adres in het boekje, waarna ze het in haar tasje stopt. En ze zegt Aai met haar vochtige ogen aankijkend, ‘y love you so much Aai, see y you to-morrow ? En voor Aai het kan verhinderen kust ze hem vol op zijn mond. Terwijl Huib, en de Rijpschieter bij de Bumber apparaten staan te gniffelen.

s,Avonds in zijn kooi liggend pakt Aai het mapje met de foto van Trijntje van zijn kooiplank doet het open, en zoent het lachende gezicht van Trijntje.  Trijntje me,n schat zegt Aai met omfloerste stem tegen de foto, 'et spijt me zô wat ik 'edaen 'eb meid. Maar je was te leat met je waarschauwing.’Ik zag je lieve gezicht te leat in die wolk vergeef me asjeblief?’ Vraagt hij aan Trijntjes portret dat nat word van Aai zijn krokodillen tranen.

Als hij wakker word prikt er iets onder zijn wang, en hij voelt met zijn hand wat er zo prikt. En hij voelt de verkreukelde foto van Trijntje die onder zijn wang ligt. ‘As ik binne ben zel ik wel een nieuwe foto ân Trijn vreage denkt Aai naar de verkreukelde foto in zijn hand kijkend. Ik 'oop allien dat ze ter nooit achter kompt wat ter gebeurd is al doe ik zô iets nooit of te nimmer meir.’

De andere morgen komt de Kok stommelend met een ketel koffie de trap af.

‘Roepend, éte manne, en as we 'egete 'ebbe is 'et vâre 'ebleaze.’

Aai kruipt uit zijn kooi, en gaat zijn ogen uitwrijvend op de bank zitten. Even later zit iedereen zijn brood te eten weggespoelend met een mok koffie.

‘De Ouwe wil zeker eist nog un stik stôme vor we an schot gaan” zegt Job.

‘Jea die zat van oggend vroog al an de zender 'oorde ik toen ik sting te pisse, zegt Arie.

‘Der is zeuveteg mijl om de Noord veul 'âring 'evange deur de Koppels daarom gean we zô vroog weg manne’ zegt Kok.

Als de mannen gegeten hebben horen ze de Motor starten het teken dat het varen geblazen is. En ze stommelen één voor één de trap naar het dek op.

Aai denk ‘ik gâ eist effe bôve kikke eir ik 'et foxel 'anveeg’ en hij volgt de andere mannen naar boven. Als hij aan dek komt zijn ze al los van de Zeevaart, en stomen zachtjes naar de buiten toe.  Aan de wal staan een paar mensen naar de vertrekkende Loggers te kijken. En dan aan het einde van de Kade ziet Aai Pauline staan. Als een eenzaam figuurtje staat ze naar Aai te zwaaien, en hij begint terug te zwaaien.

‘Ik 'eb der 'iet zo netjies be'andeld denkt hij, ik a 'et nooit zo vur magge late komme. Maar ik zel der wel schrijve dat 'et me spijt, mear dat ik een aar meisje in Schevening 'eb. Ik 'oop tan mear dat ze 'et begrijpt, dat is 'et minst wat ik ken doen.’

Voor het gemak vergeet Aai maar dat hij geen woord Engels kan schrijven. En denkend dat hij alles op die manier opgelost heb zwaait hij uitgelaten naar Pauline. Tot zij nog maar als een wazige vlek op zijn netvlies zweeft.

In een puts is Aai bezig alle vuile schaaltjes van de middagprak te verzamelen. Als hij daar mee klaar is zet hij de puts met schaaltjes boven op het dek naast de kap. Pakt beneden het bezempje, en begint de lanen van het foxel aan te vegen. Als hij klaar is gooit hij het opgeveegde vuil in de vuilbalie, en stommelt de trap naar boven op. Boven gekomen gooit hij de Balie over de verschansing hangend leeg. Terwijl de Mallemokken die altijd om de Logger zwerven, krijsend om de in houd van de Balie aan het vechten zijn.

‘Rare vogels die Mallemokke denkt Aai, verleje week âne ze zo,n beist evange. En toen tie op 'et dek zat ging ie zitte spauge van de zeiziekte.” Hij loopt naar de kap terug, en laat de lege vuilbalie aan het touw het foxel in zakken. ‘Joi, ken je iet uit kikke roept Gerrit kwaad naar Aai, ik kreeg dat vuile ding temet op me harsus gedomme!’

‘Ik â je'iet ezien Gerrit roept Aai naar beneden, ik zel in 'et vervolg uitkikke 'oor’ roept hij naar beneden. Hij pakt de naast de kap staande puts met vuile schaaltjes op. En gaat op weg naar het achterschip  toe om de schaaltjes af te wassen. Voorzichtig laat hij een puts onder het schrale straaltje koelwater van de motor zakken. Geduldig wachtend dat de puts gevuld is met het lauwe koelwater.

‘Ik mot wel uitkikke denkt Aai dat de schealtjies der 'iet uitvalle, want dan benne ze vor goed weg, en krijg ik op me lazer.’ Op de wal hoorde hij, toen hij een Pilsje in de Enak nam, het verhaal van Gerrit “De Soepkop” de afhouder van De Zeevaart. Die a ook de pusse uit ze,n ande leate valle.

Maart van Keitjes die het zag gebeuren zei,’ je mot een kruis op de verschansing zette ofouwer, dan weet de Ouwe waar de pusse met schealtjies leit, en ken die straks naar dat kruis weerom stôme.’

Nou Gerrit stond goed verschut want toen hij die middag tegen de Schipper vertelde. Dat hij de pusse met schealtjes in de plomp had laten vallen. Vroeg hij aan Gerrit waar zijn verstand zat.

Dat kruis was toch gewoon met de logger meegedreven. En die schealtjes kwame nooit meir terug tierde de Schipper tegen Gerrit. Gelukkig had de Stuurman nog schealtjes over, maar de jongens van de Neteploeg moesten wel met zijn twee uit ién schealtje eten. Om dat er waren er niet genoeg schealtjes voor iedereen aan boord wasse. Aai haalt de puts naar boven, en pakt de dot poetskatoen om de schaaltjes mee uit te vegen. Hij veegt door het eerste schaaltje onder water, het water is gewoon lauw voelt hij. Maar het moet maar zo anders moet hij eerst weer een ketel water op het Fornuis gaan zetten. En dan is hij nog langer bezig. Als hij alle schaaltjes een afwas beurt met de vette dot katoen gegeven heeft. Legt hij ze op het dekzeil van de boot te drogen.

”Ze voelle wel vet an denk Aai als hij de schaaltjes een voor een op het dekzeil van de Boot legt. Maar als ze drôog benne voel je dat toch 'iet meir.”

Ze zijn nu al weer drie dagen verder na dat ze in Whitby gingen passagieren. Ze liggen  nou te drijven, en Aai, Huib, met de Rijpschieter hebben de wacht. Het is black geil het is al behoorlijk warm aan dek. Vannacht hebben ze negentig kantjes Haring gevangen. Die al gekaakt en gezouten in de boorden staan. Wachtend om opgepakt, en gekuipt  te worden. Aai die het foxel aangeveegd heeft loopt naar achteren toe. Waar de Rijpschieter bezig is een braadje bolk die s,nachts in de Vleet tussen de haring zaten. Voor het avond eten schoon te maken.

‘Motte ze allemaal edaan worre’Joop? vraagt Aai zijn Stripmes uit zijn broekzak halend om de Rijpschieter te helpen.’

‘Jea ze gean 'eus wel op ' oor Aai je mot allien de levertjies apart ouwe dan bak ik die lekker bruin. En dan op un ommekantje, man dat zel smulle worre Aai” zegt Joop met zijn lippen smakkend.

Aai vist een bolk uit de mand legt hem op de Krebbeplank waar de Rijpschieter al op bezig is. Pakt de bolk bij de Kop beet, en snijd handig de rug van af de kop tot aan de staart toe open. Snijd dan de kop er af, en vouwt het visje open. Pakt met zijn mes het  levertje uit de bolk, en gooit die in een klaar staand schaaltje. Duwt dan zijn mes onder de graat van het beestje, en trekt die er in één keer uit. En wat er dan over blijft is een mooi plat visje klaar om gebakken te worden. Aai gooit de schoon gemaakte bolk in de daar voor bestemde puts. En pakt de volgende bolk uit de mand.

‘Zelle wu vanmiddag Butterkook bakke Aai?’ Vraagt Huib.

‘Jea leate we dat doen dat lik me wel wat Huib, motte we wel butter 'ébbe meel kenne we uit de meelton van 'et brood 'ale niettan? Dan kenne we een are keir ijs draaie Aai, zegt de Rijpschieter dat is ok lekker, niettan?’

’Ja zo is 'et Joop zegt  Huib maar dan motte we wel ijs in de Keeé 'ébbe. En non is der 'dien ijs dus dat doen we mear een are keir.’

Als de jongens na het eten elkaar helpend hun werk gedaan hebben. gaan ze voor de boterkoek aan de slag. In een schaal hebben ze een grote klont Margarine van Zeeuws meisje op de bodem gelegd. Dan gooit Aai de bloem die ze uit de bloemton gepakt hebben er bij. En daar gaan nog een paar grote scheppen suiker achter aan. Met zijn handen knijpt hij in de boter door de bloem, net zo lang tot dat het deeg een smeuďge goud gele massa geworden is. Dan word het op de bakplaat die opstaande randen van twee cm hoog heeft, gedrukt. Aai drukt de smeuďge substantie dat een Boterkoek moet worden, zo vlak als het kan op de plaat. En maakt met de achterkant van een lepel, door licht door de bovenkant van het deeg te snijden. Allemaal vakjes in de vorm van een schuine drop.

‘Zo manne zegt Aai, de plaat in de oven schuivend die al voorverwarmt is professioneler ken 'et 'iet, niettan?’ Dan sluit hij de oven deur en zet de knop van de ovenstand wat hoger.

‘Zo van eavond 'ébbe we un lekker stikje butterkook bij de Koffie. En non mear wachte tot tie gaar is.’

Als de jongens na dat ze het schietgerei hebben ingezet in de oven kijken is de boterkoek donkerbruin geworden.

Gedomme man zegt de Rijpschieter tegen Aai, je 'eb um te lang leate bakke ei is 'eilemaal donker bruin éworre kik maar.’

‘Jea as je 'et beter ken a je 'et zelf motte doen man zegt Huib je 'eb makkelijk preate jij.’

‘ Zo is tie ok wel te ete 'oor Joop, zegt Aai tegen de Rijpschieter, as 'et maar smaakt, niettan?’

s, Avonds bij het pikheet snijden de jongens hun baksel aan, en krijgt iedereen een stuk.

‘Dat was errug lekker manne, zegt Job de kruimels van zijn vingers likkend. Dat was weer is wat ears, niettan? goed 'edean 'oor jonges.’

En iedereen bevestigd wat Job al zei. ‘De vollegende keir magge jeulie er weer ien bakke 'oor jongus’ zegt Arie.  ‘Dan bakke we Scheveningsefranje Arie zegt Aai, dat is ok lekker, niettan?’ Dan horen ze de bel op de brug, en de Ouwe die al op de plecht bij het voorroer staat roept naar beneden, ‘schot is te boord manne.’

Als iedereen aan dek zijn plekje heeft ingenomen roept de Ouwe, ‘paaie maar manne, En met lange halen beginnen de Matrozen de Vleet het ruim uit te trekken, en overboord te gooien. Aai houd de Kok goed in de gaten zo dat die niet zonder blazen komt te zitten. ‘Muis” hoort Aai steeds de gedempte stem van de Rijpschieter ergens ver uit de Rijpkee vandaan komen. En de Stuurman steekt de Seizing losjes voor de aankomende muis op de Rijp. Op eens schreeuwt Rinus de Monteur uit de brug, ‘manne ei wul 'iet meer voruit kik uit allemaal.’ Als een razende beginnen de netten weg te lopen, de Matrozen halen als gekken de netten uit het ruim omhoog. Om de snelheid van de achter uit varende logger bij te houden. De Kok steekt als een razende de blazen op de blazentouwen, maar dan gaat het voor hem ook te vlug. En hij ziet het blazentouw zonder blaas overboord verdwijnen. Verbaast kijkt hij naar de blaas in de mand voor hem die aan het weg schietende blazentouw had moeten zitten. En verbouwereerd pakt hij de blaas op, en gooit die achter het weg schietende blazen touw aan. De Matrozen aan de schietrol hebben zich ondertussen in veiligheid gebracht. Behalve Gerrit die aan de binnenkant staat, en niet meer weg kan komen. terwijl de netten lang hem heen schieten. En hem steeds dichter beginnen te naderen. Dan raakt Gerrit in de boven sperup verward, en verdwijnt schreeuwend over de schietrol het water in. Voor dat gebeurde is Aai naar achteren gerend, en heeft zich in de Motorkamer latenzakken. Hij vliegt naar het starthendel, en drukt hem naar boven. En met een plop,plop geluid valt de Motor stil. De Stuurman heeft ondertussen de rijp snelophalend zo dat hij meer slek krijgt.  Om de Bolder achter op belegt, zwiepend vliegt de rijp om de bolder heen. Maar langzaam heel langzaam komt de Johanna toch  stil te liggen. Job, Arie, en Huib zijn intussen na hun laarzen uitgeschopt te hebben overboord gesprongen. En zwemmen naar de plek waar ze Gerrit voor het laatst onder water zagen verdwijnen. Job ziet Gerrit beneden vast in het net zitten, en samen met Arie duiken ze met hun mes in hun hand naar Gerrit toe. En beginnen hem los te snijden even later zwemmen ze met Gerrit naar de Johanna terug. Die dwars als een lamgeslagen vogel aan haar netten ligt te trekken. Behulpzame handen trekken Gerrit binnenboord, waarna de Stuurman het water uit Gerrit zijn longen begint te drukken. Hij legt  zijn roodbonte zakdoek op Gerrit zijn gezicht, en past hem mond op mond beademing toe. Waarvoor hij net de Winter er voor, een Cursus op de Stuurmanschool had gehad . Vol spanning en met ontredderde gezichten staat de hele bemanning naar de verrichtingen van de Stuurman te kijken. Wetend dat Gerrit ze als nog ontvallen kan. En dan begint Gerrit te hoesten een golf water uit zijn mond gooiend. En hij begint Goddank weer uit zich zelf te ademen. Opgelucht halen de mannen adem dat het nog zo goed afgelopen is. Later blijkt dat de stang die de bladen van de schroef versteld gebroken was. Zo dat Rinus niet meer vooruit kon slaan. Maar door Aai,s toe doen de Motor stop te gooien was gelukkig erger voor komen. Rinus geholpen door Aai hebben later de stang van de blazenkrebbe, na veel zagen,vijlen en buigen. Tussen de bedieninghandel van de brug, en de Motorkamer weten te zetten. Zo dat ze weer konden schieten, en halen.

Toen ze s,avonds aan de Vleet lagen kwam de Ouwe met de Stuurman, en Rinus met een litertje Bokma het foxel in.

En schonk in ieders mok een laagje Jenever, om dat het een bijzondere gebeurtenis is krijgt Aai ook een bodempje zegt de Ouwe. Na dat iedereen voorzien is zegt hij,  ‘proost mense op de gelukkege ofloop, gelukkig dat we Gerrit nog in ons midde 'ébbe. Hij heft zijn mok en neemt er een slok uit. Aai drinkt ook uit zijn mok die eigenlijk wit van kleur moet zijn . Maar nou helemaal bruinig is aan geslagen, alleen de plaatsen waar tijdens het drinken de mok door Aai,s lippen beroerd word, hebben nog een witte kleur. En van de andere mannen is het al niet beter met hun mokken gesteld. De  andere morgen is het een drukte van belang er is die nacht goed gevangen zelf hebben ze maar zo.n vijfenveertig kantjes. Maar de andere combinatie loggers hebben stukken meer dus ze gaan ze naar huis toe.

Aai staat geduldig achter Huib de Jongste met een ton Haring die het ruim in moet, te wachten. Job is aan het stouwen dat doet hij om de beurt met Arie en Gerrit. Huib haakt zijn ton aan het hakentouw van de runner, en de stuurman steekt zijn hand naar Teun de Stinkei die Winchman is op. Met een ruk komt de runner strak te staan de ton een klein stukje van het dek tillend. Dan duwt de stuurman de ton boven het luikgat, en roept ‘vieren maar.’ Rustig de lijn vierend laat Teun de ton in het ruim zakken. Ingespannen staat de Stuurman het ruim in te kijken terwijl het runnerhout die de twee runnerlijnen uit elkaar houden zijn nek snel naderd.

’Aai denkt, dealik krijg tie dat hout in ze,n nek’ maar een klein stukje van de Stuur zijn nek stopt het hout om dat de ton beneden is aangekomen.

Dat is precies uit e kient’ denkt Aai zijn ton voor het gat rollend, en hij haakt het hakentouw in de kimmen van de ton.

Als hun eigen kantjes gekuipt en beneden weg gestouwd zijn. Laten ze het gatzeil zakken, en binden een lijn aan de runner voor als ze straks gaan overnemen. Als Aai in de brug komt zegt Maarten de Schipper. ‘Je Vâder â vannacht 'ônderd zeuventug kantjies Aai hij was weer de 'oogste van de vloot de lukkepiet.’ Even Later hoort Aai de Ster over de zender vragen of ze klaar zijn dan kan hij langszij komen om zijn vangst over te geven.

‘Jâ we benne klaar 'oor Jaap roept Maarten naar Luié Jaap, de Schipper van de Ster, je ken langszij komme 'oor.’

Van achteren naderend ziet Aai de Ster op de Johanna afkomen, de boeg op het achterschip van de Johanna gericht. Hoog ziet Aai die achterop staat de boeg van de Ster als een reuzenmonster voor hem oprijzen. Het schuimende boeg water van zijn stuur en bakboord flanken afschuddend.

En net als Aai denk non ramt tie em er in, draait de boeg weg van de Johanna, en glijd de Ster vlekkeloos langszij. Snel worden de trossen over gegeven, en dan liggen de beide Loggers aan elkaar vast. Job geeft de Runner aan Klaas van Spekje die op de Ster vaart, de seizing die aan de Runner gebonden is er achteraan gooiend. Piet “Gaetje In Me Gat” pakt hem van het dek op, en slaat het einde van de seizing om de stang in de verschansing. Zo kunnen Piet en Klaas de over te geven tonnen afremmen als de runner van de Johanna met de ton aan gehaakt terug komt. Even later is het een drukte van belang het lijkt wel of er geen eind aan de komst van al die loggers komt. Alle drie de stouwers van de Johanna zijn druk in de weer om alle tonnen onder dek te stouwen.Aai rolt met de andere jongens van de netenploeg de tonnen naar het ruim. Wachtend tot ze aan de beurt zijn om hun ton aan te haken. Als laatste komt het achtje van Tinus de Kruk langs zei, ’zô Tinus zegt Maart je ben de leste, lest best mot je maar denke, niettan? Je â zo,n vijf en tachteg kantjies 'eb ik 'oord.’

‘Jea Maart dat is de vangst zeun 'et is iet aars maar je legt as een sleepplank der ken 'iet veul meer bij zien ik wel.’

‘Dat is zô Tinus we 'ebbe 48 last as we met jou klaar benne.’ ‘Wel manne roept Gijs van Kee de Klut, een Matroos die op het achtje vaart. De seizing van de runner op de Johanna terug gooiend, we 'ebbe er 'iet meir 'oor dat was de allerleste voor jeulie. Een goeie stom e, en 'ier 'eb ik een brief voor Pie wul je die effe of geve?’ Vraagt hij de brief in Arie,s hand drukkend.

‘We likke wel un postboot” zegt Huib tegen Aai als het achtje van Tinus met de schietvlag in top langs de Johanna schuurt. Waar de netenploeg druk bezig is het schietgerei in te zetten.

‘Dag Jobje begint Aai op zijn buik slaande, naar Jobje de Grut die achterop het achtje, naar de verdwijnende Johanna staat te kijken, te schreeuwen. 'Ět zel naar je iete 'oor.’

Dat schreeuwen doet Aai om dat Jobje,s vrouw, Gieltje van ,t Gekakte huwelijk ieder jaar in verwachting is. Want toen Job op een keer uitging liep Gieltje bij het Palmhuisje op haar buik slaande te schreeuwen, ‘ei zel naar je iete 'oor Jobje.

‘Joi weerlasse lazerbol dat je der ben, schreeuwt Job zijn vuist naar Aai opstekend. Als ik je te pakke krigt da' be' je nog 'iet jarig lammeling dat je der ben.’

De hele Neteploeg ligt dubbel van het lachen om die gekke Jobje die nog steeds met zijn vuisten schuddend uit het gezicht verdwijnt.

’Je mag wel uit kikke Aai zegt de Rijpschieter, dat je em iet teuge kompt as je an de wal ben. Want dan ken je nog wel der is op je lazer van um krijge.’

‘Ik ben 'iet bang van em 'oor Joop.’zegt Aai laat tie aar komme.’

‘Kik toch maar un beetje uit Aai zegt Huib, ei is toch ouwer as jij dat mot je iet vergete.

’Kom Manne zegt de stuurman dek spoele alles zeivast zette, dan kenne we naar beneje gaan ete. Ofouwer vraag jij effe an Rinus voor water an dek?’

Aai gaat op weg naar achteren, en zakt de Motorkamer in Rinus zit op de werkbank in een blaadje te lezen. Als hij Aai ziet stopt hij het gauw in de la van de werkbank.

‘Ei mos es wete dat ik allang weet wat voor een blaadje die an ét leze was’ denkt Aai. ‘Of je water an dek wul geve Rinus? de jongens motte dekwasse.’

Rinus loopt naar de as met Pooly,s waar de aandrijfriemen klapperend omheen draaien. En laat de riem van de waterpomp van de losse op vaste pooly lopen.

‘Zo zeun ze kenne wat mijn betreft 'et dek spoele, zag ik jou in Whitby iet met een aar meisje lope Aai?’

‘Nee ik 'iet 'oor Rinus ik zou 'et 'iet durve maar zeg asjeblieft niks teuge Trijntje 'oor.’

‘Neen Aai dat doe ik 'iet 'oor we benne toch Monteurs onder elkaar, niettan?’ zegt Rinus, knipoogend naar Aai. Aai staat op de plecht met Huib en de Rijpschieter naar een flauwe streep aan de einder waar Scheveningen moet liggen te kijken. Er staat een Noordwestenwind kracht zes het over buizende water maakt de jongens zo nat dat ze van armoede maar naar beneden gaan. Aai pakt de koffieketel, en schenkt zijn mok vol het blikje melk is haast leeg merkt hij. Als hij de laatste druppels in zijn mok heeft geschud pakt hij het blikje, en drukt het om de stang die onder het dek zit bij de vele anderen lege blikjes die er al zitten. Als Aai s,middags met de vuilbalie boven komt is de vage streep van de wal al veel duidelijker geworden. Hij kan de Vuurtoren, en de Havenhoofden met zijn scherpe ogen zien.

 

Aan de vlag op zijn kont te zien Vaart voor hun een Duitse Coaster. Het waait nog steeds windkracht zes, en de eb loopt vol af. Als Aai de balie geleegd heeft zakt hij naar beneden. ‘Huib we benne al vlak bij de 'oofden 'oor 'et zel iet lang meer dure eir we binne benne zegt tie.’ 

Samen met de Rijpschieter, en Huib gaat Aai naar boven om een kijkje te nemen. En om dat ze op de plecht drijfnat door het overkomende buiswater worden. Rennen ze naar de stuurboordzijde van de brug waar ze droog staan.Om het binnen lopen van de  Johanna met hun eigen ogen te kunnen aanschouwen. Het Duitse Coastertje zit ver over stuurboordboeg, en verleierd snel door het afgaand tij, en de harde wind. Als tie zo deur geat zit tie straks nog in 'et vervurssings  kanaal Aai zegt Huib, die vent zit veuls te laag. In een laatste poging het tij nog te keren draait de Kapitein van de Coaster bakboord uit. Maar het mag niet meer baten vol verbazing zien de jongens de Duitser waar ze vlak achter varen aan de verkeerde kant van het Zuiderhoofd glijden. Om in het daar naast liggende ondiepe verversingskanaal verdwijnen.

Even daarna vaart de Johanna aan de goede kant van het Zuiderhoofd tussen de twee hoofden in op weg naar de afslag. Als ze door de Pijp varend naar de afslag varen ziet Aai zijn Moeder en Trijntje op de kade staan zwaaien. Aai krijgt een blok in zijn keel als hij Trijntje ziet staan die naar hem lacht, en zwaaiend ‘daaaag Aaiiiiii’ staat te roepen.

‘Trijntjeeee’ roept Aai terug zijn beide armen omhoog stekend.

”O Aaaai roept ze eindelik ben je weer terug schat wat 'eb ik je zo 'emist.’

Ik jouw ook Trijn, roept Aai, dag Moe roept Aai’’  naar zijn moeder die wat eenzaam achter af staat voelend dat ze nooit meer de eerste vrouw in Aai,zijn leven zal zijn. Leen Bal