'Aai Afhouder Deel 1'

 

Als of hij nog nooit anders gedaan heeft springt Aai behendig van basalt blok naar basaltblok die onder aan de Koppes liggen. Tot hij op een vlak liggend blok bij het water beland is. Op zijn knieën zittend kijkt hij tussen twee basaltblokken door het heldere water in. ‘Daar zouwe wel is grote krabbe tussen kenne zitte denkt Aai. En hij begint met vlugge vingers een kloen boetkatoen, dat om een stokje gedraaid zit af te wikkelen. Eist de vislijn maar der es klaar make denkt Aai, en hij haalt een lap uit zijn broekzak waar in een onder lijntje met drie vishaken zitten op geborgen. Hij bind de onderlijn stevig aan het uiteinde van de kloen boetkatoen, en een roestige moer aan het einde van de vislijn gebonden completeert zijn vislijn. Dan haalt hij drie gekookte garnalen die hij gisteren op de Visafslag gepikt heeft uit zijn broekzak. Pelt ze handig uit hun jasje en prikt ze op de scherpe punten van de haken. Wikkelt de boetkatoen van de klos af en legt het zig zag neer op het grote rotsblok waar hij vissende is. Als hij denkt dat er genoeg lijn ligt pakt hij de onderlijn aan de bovenkant beet. En draait die boven zijn hoofd rond en laat de lijn los. Men met een sierlijke boog verdwijnt de lijn een eind verder de zee in. Zo denkt Aai non 'oof ik allinig nog maar un paar scholletjies te vange en we 'ebbe murrege 'ebakke vis bij 'et ete. daar zel me moeder blij mee weze.En mog ik niks vange dan ken ik altijd nog om een uur of vier naar de Visloods gaan. Om een paar vissies te pikke as de Schokkers binne komme, 'iettan? Zorgvuldig steekt hij het stokje van de vislijn in een spleet tussen de keien. Pakt daarna nog een lijntje met een moer uit zijn zak, en bind er een Capsule van een melkfles aan. En laat zijn Krabbelijn zo als hij die noemt in de spleet tussen de keien zakken. Waar van hij vermoed dat daar grote krabben zitten. Even later ziet hij een grote krab tussen de stenen door op de Capsule af komen waggelen. Met zijn grote scharen pakt de Krab de Capsule beet, en probeert tussen de stenen weg te glippen. Aai die ingespannen zit te wachten hijst de krab snel omhoog.

Als de Krab boven is probeert hij de Krab er toe te bewegen de lijn los te laten, door aan een van zijn achterste poten te trekken. Als de krab de lijn met veel tegen stribbelen heeft los gelaten , laat Aai de lijn weer in de spleet zakken. Terwijl de Krab die hij net gevangen heeft probeert zo snel mogelijk in het water terug te komen.

’O ben je 'ier Aai? vraagt Teun Aai,s vriendje die de ijzeren trap die in de muren van de Koppes zitten komt afklimmen. Kik je 'eb beet Aai’ schreeuwt Teun opgewonden wijzend naar de vislijn die trillend strak gespannen staat.

Aai schiet naar de lijn toe en begint die snel binnen te halen, vol spanning kijken de twee jongens toe. Dan komt de eerste haak boven water met daar aan een mooie dikke klapperende Schol. Die zich om de lijn krult proberend om zich van de haak los te wurmen. Als Aai de lijn verder naar binnen haalt komt er een behoorlijke Schelvis boven water, en de laatste haak is leeg.

Aai pakt zijn rode zakdoek uit zijn zak en doet er de twee vissen in. En knoopt dan de vier punten aan elkaar vast, en legt zijn vangst op de steen terug. Prikt twee garnalen op de lege haken, en zwiept de lijn boven zijn hoofd draaiend de zee weer in.

Als hij zo vissend een aardige zooitje vis heeft gevangen, en zijn zakdoek helemaal vol is. Er kan dan ook geen visje meer bij.Begint hij zijn visgerij op te bergen kijkend naar de horizon, waar een paar vage trillende strepen zichtbaar worden. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes en zegt kik Teun daar kompt de drie'onderd vijf de Maria van Kees Blok ik zie de stengen al eil duidelijk kik zelf maar.

Dan gaan we dalijk effe langs Kees ze,n vrouw om der te waarschouwe dat der man er an kompt, misschien krijge we wel een kwartje van d,r we motte der toch langs.Snel klimmen de twee jongens langs het trapje naar boven toe en rennen met klepperende klompen over de Nieboerweg. Op weg naar Kees Blok zijn vrouw om haar te vertellen dat haar man binnen komt .Ze hopen dat ze de eerste zullen zijn anders lopen ze voor niks, en dat levert geen Brômbrood op. Maar ze hebben het geluk de eersten met de blijde boodschap te zijn.

En Aai krijgt van Kees zijn vrouw, Pie van de makke tamp” een kwartje.

‘Ier pand zegt ze het kwartje in zijn hand drukkend, dank je voor de boodschap 'oor. Als ze naar huis lopen geeft Aai Teun een dubbeltje, en houd vijftien centen voor zichzelf. Om dat hij de Maria het eerst in de peiling kreeg.Terwijl ze met klepperende klompen op huis aan gaan, vraagt Teun,

'Eb je non al een stee Aai?’

’Ja bij Maarten de Herder op de 78 de Johanna Maria, van Aai de Dulk Teun. Lekker rustig man zegt Aai wereldwijs, met Maart vis je maar vijf nachte en dat is mooi mee 'genome niettan?’

‘Ik wou dat ik al mog vare Aai, zegt Teun.’

‘Volgend jaar mag jij ook vare 'oor Teun nog effe geduld man, zegt Aai.’Hijgend van het harde lopen boldert Aai het kleine plaatsje in de Boegstraat waar hij woont op. Schopt zijn klompen bij de deur uit, en stommelt met veel lawaai het kleine keukentje binnen.

Zijn moeder ,Betje van Mink de kusse, staat met een bezweet hoofd bij het Fornuis in een grote pan te roeren. Met een dreigende ondertoon in haar stem zegt ze, zo sallemander ben je daar eindeluk!

Aai hoort aan haar stem dat ze kwaad is dat komt om dat hij zo laat is weet hij. Maar voor haar boosheid erger word, en de spuigaten gaat uitlopen. Stapt hij op de tafel toe, en zet zijn moeder triomfantelijk aankijkend de zakdoek met vis op het roodgeblokte zeiltje. Waar negen borden met er naast een vork en lepel wachten, op Aai zijn Broertjes, en zusjes om te gaan eten. Want Aai komt uit een groot gezin ze zijn met ze,n tienen thuis.

Zijn Moeder pakt de Zakdoek met vis van de tafel, en loopt er mee naar het piep kleine gootsteentje in het kleine keukentje. Maakt de knopen in de zakdoek los en laat de zooi vis in het gootsteentje glijden. Daar bij kijkt ze Aai haar oudste zoon al een stuk milder aan want zo,n zooi vis is natuurlijk niet mis voor het gezin. Ze reageert tenminste anders as Meue Gieltje lest denkt Aai, daar had hij van de week ook een zooitje vis gebracht. Een zooitje vis wat tie met Teun bij de afslag van de onderste balke an de have had afgehaald. Die wasse der tijdens het lossen op gevalle. Maar omdat die Scholle al een tijdje in de Zon hadden liggen bakken waren ze behoorlijk uitgedroogd.

Teun en Aai hadden ze toen aan een touwtje  met zakdoek en al een tijdje in het water van de haven laten hangen. En ze daarna naar Meuje Gieltje gebracht die er twee kwartjes voor gaf . Maar ja  Teun die stommeling most het zo nodig an zijn moeder vertelle. En die op haar beurt ze was 'iet voor niks van ,Abbel De Kwekkende Eend. Had het op de Boetloods waar de vrouwen samen de Vleten aan het boeten waren, tegen Meuje Gieltje gezegd. Toen Aai s,avonds dan ook niks vermoedend van de haven thuiskwam zat Meuje Gieltje aan de keukentafel op Aai te wachten. En ze begon hem gelijk uit te schelden zo,n slechterik as Aai 'hoefde nooit meer een zooi rotte vis bij der te komme brenge, raasde ze tegen Aai. Ja ik weet het wel gilde ze je 'eb ze van de balleke afgéhaald, en nou most ze der twee kwartjies weerom hebbe, vuil kreng dat je der ben schreeuwde ze tegen Aai. En ze hield haar hand die vuil bruinig van het boeten was voor zijn neus. Na dat Aai de kwartjes uit zijn zak had opgediept liep meuje Gieltje met een kwaad gezicht stampend de deur uit.

Aai waarom heb je dat toch gedaan pand van me? Klaagde  Aai,s moeder tegen hem.

Die vissies wasse nog best goed Moe as Teun niks teuge ze,n Moe had gezegt  dan had  Meuje Gieltje het ook niet gewete, niettan?

Als ze gegeten hebben zegt Aai, ik ga nog effe naar buite moe. ‘Das is goed Aai, zegt ze maar denkt ter om geen gevrij met Trijntje van,Joor met de hoge rug, hé ik wil het niet hebbe. Je ik heb het wel gehoort van Jans de Panno die heb je op de Drôgersdijk met Trijntje zien lope. Dat was me van ogtend ook wat Aai, zegt Aai,s moeder het gesprek over Trijntje over een andere boeg gooiend. Jans en Kee van dunne Jullis ware hier van murrege op de Koffie. Nou was Jaap de Jood gistere langs geweest en ik had een pak koeken van hem gekocht. Dus ik vroeg wille jullie eenn lekkere koek bij je bakje meide? nou dat luste ze wel. Dus ik gaf ze der ieder één, En Kee ze is ter iet voor niks ien van ,Bolle Klaas,’ nam gelijk een grote hap uit die koek maar spugde het gelijk weer uit.

‘Die dinge smake naar pekel Betje’ zee ze. Dus ik proofde ok voorzichtig van die kook, en ze had gelijk zo zout as brem wasse die dinge. As Jaap van de week weer kompt dan zel ik hem effe vertelle oe ik over hem denkt,eens een Jood altijd een Jood zel ik teuge em zegge. O jea zo als ik al teuge je zee Jans zag je lope toen je met Trijntje liep te vrijé Aai' het was godlasterlijk zo as julie je gedroege zee Jans. Je vrat ter bijkans op zee ze. Trijntje kompt niet uit een goed nest zeun als je het toch blijft doen zeg ik het tege je Vader hoor, als tie binnen is. En dan zwaait ter wat voor je.’ Ik zel het niet weer doen 'oor moe zegt Aai, en hij denkt als ik eerst maar buite ben dan ziet ze toch niet wat ik uitspookt. Want ik houw nou eenmaal ziels veel van Trijntje, goeie kom af of niet. Buiten gekomen schiet hij in zijn klompen, en loopt richting Haven. Op de Korte Kolenwagenslag zit Trijntje op het stenen tuinmuurtje waar ze samen hebben afgesproken, op Aai te wachten. Ze staat op als Aai voor haar staat, dag Trijn hier ben ik dan zegt hij, en zoent haar vurig op haar mond. Trijntje die er intens  van geniet zoent Aai begerig terug. Wat ziet zijn Trijntje er toch knap uit denkt Aai zoals ze daar staat, met der hande in der zei. Der hoedje staat schuin op der blonde krulle. En dan haar mooie lange bene met witte kouse, die fier onder der rokje uitkomme. Kom schat van me zegt ze Aai een arm gevend, we gaan lekker same een endje kuiere.

Ze lopen elkaar  verliefd aankijkend richting het Eiland vloek. Of het rooiepannedurp zoals het ook wel word genoemd. Er wone daar allemaal van God vergete mense gaat de mare door Scheveningen, er deugt er daar geen een van.Trijntje woont ook op het eiland en daarom mag Aai niet met haar om gaan van zijn moeder. Maar Aai houd zoveel van zijn Trijntje, en hij denkt vertederend naar haar kijkend. Wat ter ook gebeurt ik blijf voor altijd bij der. Trijntje die ziet dat Aai in gedachten is kijkt verliefd lachend naar hem op. En Aai dat ziende word helemaal warm van binnen, en pakt haar zo maar midden op de Westduinweg beet. En zoent haar hartstochtelijk op haar mond. En hij zegt ‘o Trijn wat vin ik je lief ik ben zo blij dat we verkering met elkaar hebbe echt waar.’ ‘Ik houw ook veul van jou Aai zegt Trijntje en zoent hem met vurige smakkende zoenen terug. Me, zus Jaan vraagt of we twee uurtjies op de kleine Anna wulle

passe Aai? Dan benne we sâme alleen, dat wil jij toch ok, niettan?’

‘Ja dat wul ik ook wel Trijn zegt Aai’ benepen tegen haar. Hij is toch wel bang van wat er gebeuren kan zo samen alleen. Maar als man kan Aai natuurlijk niet weigeren vind hij.

Als hij om elf uur thuis komt zit ze,n moeder bij de tafel met een mand met kousen voor haar. Waar van ze bezig is de gaten te stoppen. ‘Zô pand zegt ze zorgvuldig met een grote stopnaald met blauwe stopwol door het gat in de sok heen wevend, waar ben je geweest?’

‘Bij de jongens in de Keizerstraat Moe rondjies lope, je ken dat ook wel niettan?’

‘Ja Aai zegt ze daar heb ik je Vader ook lere kenne dat ging vroeger ook al zô hoor’.

Gelukkig gaat ze niet verder met vertellen hoe ze Aai zijn Vader leerde kennen want dat verhaal heeft Aai al menig keer gehoord.

‘Ik heb je zeegoed bove op je bed gelegen Aai dan ken je dat dalijk in je zwarte zak doen, dan staat die alvast klaar voor murrege.’

‘Dat doe ik moe ik mot om half tien aan boord weze, en denkt ter om zoene doe je maar voor we de deur uit gaan 'oor. Ik ga niet voorschut staan bij de jongens dan lache ze me uit, en dat wul ik niet.’

‘Et is goed 'oor pand ik zoen je wel thuis als je dat wul, ik mag je toch wel een 'andje geve Aai?’ vraagt ze hem ondertussen door zijn haar Aaiend. Wat is tie toch al groot voor zijn leeftijd denkt ze. Net zijn Vader die heb ook zo,n breje  borst en van die gespierde arreme, hij lijkt wel achttien haar Aai denkt ze trots. ‘Dat vin ik wel goed oor Moe alle Jonges zoene der Moeder niet meer het staat zo kinderachtig ik ben geen kind meer, nee toch?

De ander dag loopt Aai met zijn zwartleren zak op zijn schouder met zijn moeder de Boegstraat uit. En lopen de Juriaan Kokstraat in richting haven toe. Trots kijkt hij om zich heen hij heeft het gevoel dat iedereen naar hem kijkt. Wat voelt 'et toch goed om naar zee te gaan en voor vol te worde aan gezien. De Korte Drogerdijk oplopen ziet Aai Trijntje al op het muurtje van het tuintje zitten. Als Trijntje Aai met zijn Moeder ziet springt ze van het muurtje af, ‘dag Buurvrouw zegt ze. Pakt dan Aai zijn hand vast en zegt dag Aai nog effe dan mot ik je een hele tijd gaan misse knul. Maar ik wacht op je hoor zel je voorzichtig weze an boord van die logger.’

‘ Mot je niet naar School ?vraagt Aais Moeder pinnig. ‘Nee Buurvrouw ik hoef niet meer naar School 'oor, ik werk immes in de Bokkumrokerij waar Aai ok werkte vor die ging vare. En ik heb un half dagje vrij genome om Aai weg te brenge’ zegt ze. Aai stevig tegen haar aan drukkend terwijl ze met glanzende ogen naar hem op kijkt. ‘Aai is nog veuls te jong vor’ begint Aai,s Moeder. ‘Ja 'et is al goed 'oor moe zegt Aai ik 'houw van Trijn en reken maar dat ik met ter ga trouwe, wat je der ok van vind’ zegt Aai het voor zijn Trijntje opnemend. ‘Ja pand dat weet ik ok wel 'oor maar je ben nog zo jong en ik 'eb je.‘Ja moe ik weet dat je me gebaard heb, en dat je niet weet wat me Vader der wel van zel zegge. Maar ik houw nou eenmaal van d,r punt uit.’ De rest langs de Westduinweg, de Dr Lelykade tot aan de visloods lopen Aai zijn Moeder, en Trijntje zonder een woord te zeggen door. Voor de visloods tegenover de Pijp ligt de Johanna aan de kade. Een paar bemanningleden met hun vrouwen staan al te wachten, op het vertrek van de Johanna. Aai stapt aan boord loopt naar de kap van het vooronder, en roept door de kap naar beneden. ‘Wil der iemand effe me,n zak anpakke asjeblieft.?’

‘Laat maar komme Aai,’ roept Joop de reepschieter naar boven. En Aai laat zijn zak los die handig door Joop opgevangen word. Aai springt snel de wal weer op die zak pakt ik straks als we buite benne wel uit denkt hij. Tot ongenoegen van zijn moeder pakt hij Trijntje weer beet. Nijdig naar de verrichtingen van het jonge stel kijkend zet ze haar nachtmuts weer recht op der hoofd

Als of tie ooit maar een millimeter schreef stong  denkt Aai. Als iedereen er is begint de Ouwe,  Maarten de Slavendrijver, en niet Maarten de Herder, want die wou geen zes nachten vissen. En is daarom door de reder aan de kant gezet gaat het gerucht. De achter blijvers een hand te geven, en stapt als hij daarmee klaar is aan boord van de Johanna. Waar Piet ,van het Nijdige paard,’ de Stuurman, al drukdoende op de brug bezig is. De rest van de bemanning volgt de Ouwe, aan de verschansing staande praten ze nog met hun vrouwen. Want het zal op ze,n minst toch zo,n drie weken duren voor ze weer terug zijn.

Aai zoent Trijntje fel op haar mond terwijl zijn Moeder er verloren bij staat. ‘Wees asjeblieft voorzichtig Aai en kom gauw weer bij me terug? vraagt Trijntje. O Schat van me wat zel ik je misse en ze geeft Aai een laatste lange hartstochtelijke  zoen. En laat hem maar met moeite los als Aai met zachte drang zich van haar los maakt. Aai draait zich om en kijkt zijn Moeder aan die haar hand naar hem uitsteekt. Maar Aai negeert haar hand stapt op haar af pakt haar hoofd tussen zijn beide handen vast trekt haar naar zich toe. En geeft zijn verbouwereerde Moeder een paar klinkende zoenen. ‘Aai pand van me toch zegt ze stamelend tegen Aai.’

‘Zo Moe, zegt Aai tegen haar, nou staat je nachtmus echt scheef. En zijn moeder verbouwereerd achter latend, loopt hij naar de Johanna toe die al los van de kade ligt.  Een aanloop nemend springt Aai aan boord van de Johanna. Naast hen ligt de SCH 200  de Maria,’ die met prutellende motor zachtjes naar Pijp toe begint te varen. Die al vol met loggers ligt, en op hun beurt wachten om naar buiten te kunnen. Aai staat achterop en kijkt naar de immense mensenmassa die op de been is, om de uitvaart van de Scheveningse vloot mee te maken. De volgende keer zal het heus zo druk niet weze hoor Aai zegt de Jongste Huib van de Drollezoker,’ tegen Aai. En Huib kan het weten want hij vaart al voor het derde jaar. Als ze langs het Palmhuisje varen krijgt Aai zijn Moeder en Trijntje weer in de peiling. Die zijn in de tijd dat de Johanna in de Pijp op haar lag beurt lag te wachten gauw omgelopen. Aai begint te zwaaien, en de twee vrouwen zwaaien terug. Even later passeert de Johanna het dijkje, en glijd ze tussen de Koppes in. De beide zwaaiende vrouwen achter zijn kont waar het schroefwater ziedend, kolkend en schuimend door de schroef omhoog word gestuwd achter zich latend.

Aai ziet Trijntje steeds kleiner worden hij voelt een wee verlangend gevoel naar haar in zijn buik op komen.Hij denk er aan hoe het was toen ze die avond samen in de Boeistraat op Anna de kleine meid van Jaan de zus van Trijntje pasten. Toen ze binnen in het kleine huiskamertje zaten zei Joor de man van Jaan met een knipoog naar Aai. ‘kijk je zo af en toe ok is naar de kleine Anna as jullie nog wat tijd over hebbe Aai?’ Daar bij veel betekenend grijnsend naar Aai kijkend. ‘Dat doen we 'oor Joor zei Trijn gaan jullie maar met een gerust hart vor een paar uurtjies weg.’ Toen Jaan en Joor eindelijk weg waren zette Trijntje een plaatje van Pat Boone op de platenspeler. En toen de stem van Pat die zacht April love zong, door het kleine kamertje klonk. Kwam Trijntje bij Aai, die in de Libertystoel van Joor zat op zijn schoot zitten. En begon met hem te vrijen ze duwde haar tong diep in Aai zijn mond, en hij voelde een heerlijk gevoel in zich omhoog komen borrelen. Maar tot zijn grote schrik al vond hij het ook een heerlijk gevoel, voelde Aai dat er bij hem daar beneden iets begon te gebeuren.

Heel voorzichtig begon hij naar achteren toe te schuiven, hopend dat Trijntje het niet zou merken. Hij voelde zich zo rood als een pas gekookte Kreeft worden. En met een diepe niet aflatende ijver begon het diep van binnen, ook nog in hem te gloeien. Terwijl Trijntje steeds verder op het bewijs van Aai zijn opwinding af schoof. Aai op zijn beurt probeerde met alle macht te verhinderen dat het zo ver zou komen. Maar op een zeker moment was het einde van Aai zijn vluchtweg toch genaderd. En nu begon Trijntje ook nog aan zijn oorlelletjes te likken, waarbij ze zachtjes in Aai zijn oor kreunde.

‘Trijn vroeg Aai stamelend aan haar heb je pijn schat?’Onderhand proberend zijn achterste zo ver mogelijk naar achter toe op te schuiven. Zo dat Trijntje niet zou merken wat er met Aai daar beneden aan het gebeuren was. Maar de rugleuning van de stoel hield hem nu toch onverbiddelijk tegen. ‘Kom schat van me fluisterde Trijntje in zijn oor, laat 'et je maar gebeure hoor schat van me.’En ze pakte Aai zijn hand, en legde die op haar onderbuik die ze ver omhoog drukte. Aai begon verschrikkelijk te trillen zonder dat hij het stoppen kon, zijn hart bonkte in zijn keel die zo droog als kurk werd. Verwoed begon hij te slikten om dat droge gevoel kwijt te raken. Uiteindelijk belande hij hijgend met Trijntje op de grond, en ze begonnen elkaar wild zoenend uit te kleden. Toen Aai bij Trijntje naar binnengleed, was het of hij in een schitterend vuurwerk van de heerlijkste gevoelens die hij nog nooit in zijn leven ervaren had belande. En aan de lange zuchten van het ultieme genot die ze tijdens hun paringsdrift slaakten, leek geen einde te komen. Toen ze in elkanders armen op die harde vloer in dat kleine kamertje van Trijntjes zus lagen na te genieten, was er bij Aai veel verandert. hij was nu een man geworden. Trijntje keek hem met haar blauwe ogen liefdevol aan, en fluisterde in zijn oor ‘wat ben ik toch gelukkig met jou Aai’ en ze zoende hem teder over zijn gezicht. Je ben nou vor altijd van mij Aai onze liefde zel altijd blijve bestaan. En mocht je daar waar dan ook ooit an twijfele kijk dan altijd naar bove Aai? En je zal me dan zien als ik naar je roep blijf me voor eeuwig trouw.’

‘Dat zel ik doen Trijn maar ik houw zo veul van je, dat ik je wel nooit an de hemel zal zien verschijne schatje van me,’ en hij trok haar stevig tegen zich aan.

‘Dat is nou typie,s Trijntje dacht Aai” altijd had ze wel van die vreemde uitsprake waar hij niks van begreep.’ Hij zwaait nog een keer naar wat hij denkt dat Trijntje moet zijn.En hij voelt dat er een fel heimwee naar haar, in hem omhoog komen borrelen. Als de wal zo vervaagt is dat er niets meer te zien is wat maar enigszins op Trijntje lijkt. Gaat Aai de Kombuis in om met Joop van Piet van lange Griette,” die rijpschieter is een praatje te maken. Niet wetend dat hij zijn belofte van eeuwige trouw aan haar, al gauw zal breken.     Leen Bal